Wie troost nodig heeft, redt het kennelijk niet zelf

De hele discussie over troost vindt theoloog Wouter Slob lastig. Want waar hebben we het precies over? Volgens hem heeft de behoefte aan troost te maken met dreigende betekenisloosheid.
Troost is geboden als het leven zinloos en waardeloos lijkt. Troost laat zich vinden in allerlei vormen die aandacht en betrokkenheid uitdrukken.

wouter slob

Wouter H. Slob (1965) is predikant van de Laarkerk in Zuidlaren en was tot voor kort bijzonder hoogleraar Protestantse Kerk, Theologie en Cultuur aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Lees hier het artikel als PDF

Eerlijk gezegd vind ik het niet zo’n gemakkelijke discussie: troost, wat is het en wat moeten we ermee? Alke Liebich is wel erg voorzichtig als zij een lans wil breken voor ‘misschien wel iets van troost.’ Hoewel ze deze vrijzinnige karikatuur zeker aan wil dikken, is het wellicht toch wat dunnetjes? Christoph Jedan is dan ook erg kritisch en ‘meteen al bij de probleemanalyse’ scheiden zich de wegen. Hij raadt ons aan om Seneca te lezen. Nooit een slecht idee om de klassieken te kennen, maar of Seneca de vermeende troostlacune in de postmoderne theologie kan oplossen?

Wat is het probleem?

Kennelijk zijn de 16e-eeuwse antwoorden van de klassieke theologie achterhaald en botsen de aanbevelingen van een Jacqueline van der Waals (‘wil mij als een kind behand’len’) met de autonome eisen van de mondige mens. Wat wordt er dan gevraagd van troost? Dat het pasklare antwoorden geeft op levensvragen? Maar welke vragen dan precies? Wanneer is er een behoefte aan troost, en waarom zou een klassieke theologie daar niet aan kunnen voldoen? In abstracto gesproken blijft mij dit te vaag.
Jedan ziet als probleem dat het ‘lijden van de stichterfiguur’ een ‘ver-van-mijn-bed-show’ is voor een terminale jonge moeder en een te algemeen abstract antwoord geeft op concrete existentiële vragen. Denkelijk doelt Jedan met deze ‘stichterfiguur’ op de gekruisigde Jezus – toch een wat ongelukkige term (want Jezus heeft op geen enkele manier het christendom gesticht). Maar onduidelijk blijft wat er dan precies zo ontzettend mis is met een theologie die troost put uit de dood van de zoon van God. Ja, als het antwoord zou zijn: lijden is niet erg want de dood is overwonnen en we komen straks allemaal in de hemelse heerlijkheid dus niet somberen maar ‘kop d’r veur!’, dan wordt troost een goedkoop doekje voor het bloeden. Zo’n dooddoener is inderdaad troosteloos. Want dat is eerder een manier om het lijden niet te hoeven zien, dan een betrokken nabijheid die wordt gevraagd. Deze troost wordt in scherpe bewoordingen door mensen als Peter Rollins terecht afgewezen.

Kenotische kwetsbaarheid

Maar is het niet troostend dat God zich niet heeft onttrokken aan het lijden? Dat God niet als hoogverheven Almachtige wordt gedacht die soeverein het aardse verdriet zou bagatelliseren. Wanneer de incarnatie volgens Filippenzen 2 kenotisch wordt verstaan, en niet de almachtigheid maar de dienstbaarheid (en kwetsbaarheid!) van God wordt benadrukt, is het dan niet troostend dat God het lijden niet is ontlopen? Maar heeft doorstaan. En juist daarin de dood haar macht heeft verloren omdat het geen angst meer hoeft aan te jagen.

Dat laatste is ongetwijfeld één van de moeilijkste gedachten. De overwinning op de dood werd ooit begrepen als een verlenging van het aardse leven na het biologische sterven. En kennelijk was zo’n voorstelling van het hemelse hiernamaals aantrekkelijk, want is het ook vandaag de dag nog dikwijls de laatste restant van een verbleekt geloof. Zou de troost dan moeten betekenen dat het uiteindelijk toch goed komt? Of zoiets. Maar als dit het antwoord van de theologie moest zijn, dan had het altijd al slechte papieren; het hemelse hiernamaals is geen bijbels maar een middeleeuwse voorstelling, die inderdaad terecht als doekje voor het bloeden moet worden gewantrouwd. De bijbels belofte gaat niet over een hiernamaals, maar over de nieuwe aarde; het moet hier geschieden.

Dierbaar lied

Toch is het ook veelzeggend dat juist de voorstelling van het hemelse hiernamaals zo taai is; het sluit immers prachtig aan bij de gekoesterde autonomiegedachte van de mondige mens. Hoe onvoorstelbaar zonde zou het toch zijn als mijn geweldige autonome ik met mijn sterven te gronde zou gaan! De santenkraam van de mythische Bijbel kan worden opgegeven, zolang ‘ik’ maar niet verdwijn. Liebich kan wel menen dat de tekst van Van der Waals voor mondige mensen ‘niet werkt,’ maar waarom het toch zo’n ‘dierbaar lied voor velen’ is blijft dan raadselachtig. Kennelijk hebben we behoefte aan geborgenheid. Daar lijkt me niks mis mee, integendeel. Lastig wordt het pas als je monddood wordt gemaakt, en het alleen maar ‘volgen zonder vragen’ mag zijn. Is het niet meer van belang om te ‘volgen mèt vragen’? Maar dan zeker ook de vraag: wat verwachten we eigenlijk van troost? Moet het onze autonomie bevestigen of doorbreken?

Troost is relationeel

Misschien wordt het anders als we de klassieke antwoorden niet als dooddoeners beschouwen, maar als uitdrukking van een behoefte ten diepste te zijn gekend en verbonden. En dan niet alleen in de geweldigheid van de mondige mens, maar juist in de tekorten van pijn, verdriet, en angst. Om gekend te zijn, is een ander nodig. ‘Troost is relationeel’ schrijft Liebich op de valreep, zonder daar uitvoerig bij stil te staan. Zeker, en niet alleen in de zin dat troost geboden moet worden door een ander. Maar ook in de zin dat de troostbehoefte de zelfgenoegzaamheid van de mondige mens principieel ter discussie stelt. Wie troost nodig heeft, redt het kennelijk zelf niet. Voor de moderne mens zou dat een schokkend bericht kunnen zijn. We willen toch allemaal ‘in control’ zijn en als we troost nodig hebben, blijken we afhankelijk te zijn. Maar zou dat niet de kernboodschap van het christendom zijn: wij hebben onszelf niet gemaakt, en staan dus niet op onszelf. Dat gaat niet over platte biologische wetmatigheden, maar over betekenisgeving. Onze identiteit is niet in onszelf gelegen, maar in de relatie met anderen. En dus hebben we anderen wezenlijk nodig.

Betekenis

Gaat de behoefte aan troost niet om dreigende betekenisloosheid? Als het leven geen zin heeft, hopeloos is geworden, ten einde loopt of waardeloos is. Wanneer we ons niet meer aan onze haren op kunnen trekken en kunnen doen alsof ons leven in zichzelf van belang is. Dan is troost nodig en kan geboden worden: door aandacht, liefde, nabijheid. Desnoods met een koppetje kippensoep of een meegegeven beertje; die beiden vooral aandacht en betrokkenheid uitdrukken.

Dat is betekenis die ook voorbij de biologische dood zeggingskracht kan behouden, en die daarmee troostrijk kan zijn. De nagedachtenis kan tot zegen zijn, en daarmee is iemands leven ook na de dood betekenisvol. In de mooie en gekoesterde momenten, in de aansporingen voor ‘straks’ (die jonge moeder met kanker, die haar man maant: ‘blijf niet alleen…’). Maar zeker ook in de intiemste nabijheid van de verzorging in de aftakeling, en van de aanvaarding daarvan door de stervende. Niks abstracts! Veel concreter kun je het niet krijgen. De betekenis van het leven valt niet weg bij de biologische afbraak, maar is gelegen in de liefde die ook over de grens van de dood heen bepalend kan zijn. Van dat soort blijvende betekenis kun je lezen bij Seneca. Maar dat maken we zelf ook geregeld mee aan het sterfbed.

Vertroosting

In zo’n relationele betekenisgeving lag mijn inziens ook de vertroosting van de 16e eeuwse theologie, die ik toch maar niet te snel bij de straat zou zetten. De gewraakte Heidelbergse ‘ellende’ van de mens gaat niet om een principiële diskwalificatie van de mens (zoals het wel vaak verstaan, en ook uitgelegd, is), maar drukt uit dat van de mens geen perfectie wordt vereist. De betekenis van het leven hoef je niet zelf steeds maar weer te bewijzen, maar mag in de liefde van God gegeven zijn. Als we het als geschenk kunnen begrijpen, hoeven we het niet zelf steeds opnieuw te bevechten. Dat lijkt mij een hele opluchting. Een grote troost, ook voor mondige mensen.

 

 

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: