Recensie: Niets gaat ooit verloren

In haar proefschrift Niets gaat ooit verloren gaat Iemke Epema op zoek naar de betekenis van het begrip transformatie in het werk van de Canadese filosoof Charles Taylor. Uit de ondertitel blijkt, dat daarnaast het begrip transcendentie deel uitmaakt van dat onderzoek. Waarom die twee begrippen? Omdat ze het kloppend hart vormen van Taylors visie op religie: het is volgens Taylor kenmerkend voor religie dat transcendentie transformatie bewerkstelligt.
Meer dan alleen tussen de regels door proef je de sympathie van Epema voor Taylor

niets gaat ooit verloren

Iemke Epema, ‘Niets gaat ooit verloren. Transcendentie en transformatie in het werk van Charles Taylor’. Skandalon, 2018

Recensie door Sytze Ypma

Download de recensie als pdf

en de inspiratie die zijn tour de force oproept om in kaart te brengen wat er met het zelf en religie vanaf het pre-axiale tijdperk tot aan het einde van de twintigste eeuw is gebeurd. Dit maakt haar proefschrift sympathiek, in haar fijngevoelige taalgebruik proef je dit gegeven.

Transformatie en transcendentie

Epema beperkt zich in dit onderzoek – eigenlijk een prachtige monografie van het werk van Charles Taylor –  tot de twee hoofdwerken The sources of the self  en A Secular Age. In het eerste grote werk over de wordingsgeschiedenis van het zelf laat Epema zien, hoe transformatie een steeds belangrijker rol gaat spelen, om vervolgens in A Secular Age een sleutelbegrip te zijn dat voor religie van even groot belang is als het begrip transcendentie.

Taylor wil in A Secular Age het complexe verhaal achter de wordingsgeschiedenis van secularisatie ontrafelen, ook wil hij langs deze weg een fundamentele bijdrage leveren aan het debat over de toekomst van religie.

Beide grote werken plaatst Epema wel binnen het grotere geheel van Taylors oeuvre. Zo kan ze de ‘genese’ van het begrip transformatie in het oeuvre van Taylor overzien.

Leuke bijkomstigheid, Epema heeft het woord transformatie geturfd en komt op 188 keer. Vervolgens laat ze zien hoe voor Taylor de transformatie van de menselijke natuur een transcendent karakter moet hebben, wil die effectief en substantieel religieus zijn. De grote vraag voor Taylor is, hoe transcendentie plausibel kan blijken in een geseculariseerde (post-)moderne cultuur waar voor de meerderheid van de mensen het vanzelfsprekend geloof in het bestaan van God tot het land van ooit behoort. Om dat op het spoor te komen, vertelt Taylor het verhaal over het ontstaan van die moderne cultuur. ‘Het is Taylors missie om de moderne mens tot een dieper inzicht in zijn eigen situatie te brengen, door hem in te leiden in de verborgen transformaties van de geschiedenis. […] Door dit proces op de voet te volgen wil Taylor de lezer als het ware zelf een transformatie laten ondergaan en hem vervolgens anders laten kijken naar wat hij allang dacht te weten.’ (154-155)

Transcendentie, zo blijkt de afgelopen decennia, heeft wel een gedaanteverandering ondergaan, maar is niet verdwenen, evenzo is het verlangen naar ervaringen van het transcendente gebleven, aldus Taylor.

Transcendentie beschrijft Taylor ‘als het verlangen en de aspiratie om de grenzen van het puur natuurlijke en menselijke te overstijgen.’ (201) Daarin onderscheidt hij zich van Martha Nussbaum, die een menselijk immanente vorm van transcendentie verdedigt. Taylor blijft Hegeliaan, door te blijven geloven in een transcendente geestelijke realiteit die ons overstijgt en waartoe wij ons via geloof en ritueel kunnen verhouden. Die transcendent-transformatieve kracht manifesteert zich voor Taylor in een ervaring van volheid en, om het iets concreter te maken, het gaat dan om een ervaring van volheid aan welwillendheid en agape, zoals Taylor de belangeloze liefde en ‘het jezelf geven om niet’ omschrijft.

Volheid en fijngevoelige taal

In het eerste grote werk ligt het accent vooral op de morele bronnen van het zelf, en bij het tweede ligt de focus helemaal op religie en geloof. Kernbegrip in dit boek is het woord fullness, volheid.’ [105] Het is een ervaren van het leven voorbij de ik-gerichtheid. Hoewel Taylor vooral ingaat op de rol en toekomst van het christendom in het proces van secularisatie, introduceert hij met fullness een universeel begrip ‘waarin zowel gelovige als ongelovige posities kunnen worden gevat.’ (idem)  Dit containerbegrip is niet onomstreden, maar tegelijk wel een open term waarin het belang van morele en spirituele bronnen evident is, vanwege het bewaken van de kwaliteit van de inhoud van die volte. Als het om de waardering van dit begrip gaat, spreekt Epema in de persoonlijke nabeschouwing van ‘een mooie vondst’. (321) Je zou kunnen zeggen dat we de onschuld van de betovering kwijt zijn, maar dat Taylor met het begrip volheid de mogelijkheid tot bezieling openhoudt en dat religie hier een cruciale rol van betekenis in kan spelen.

Naast die volheid zoekt hij naar verfijnde en gelaagde talen die schoonheid en moraal ontsluiten voor de 21e eeuwse mens. Epema is na haar onderzoek dieper doordrongen geraakt van de urgentie en maakt zich zorgen over de ademruimte voor die verfijnde soort van spreken, voor oor voor de gelaagde taalvormen. “Ik vraag mij af in hoeverre de verfijndere en gelaagde talen van de Romantiek en het modernisme nog weerklank zullen vinden in deze eenentwintigste eeuw.” (325) Epema hoort teveel andere geluiden in en buiten de kerk waarbij de vorm modern wordt en de inhoud ouderwets.

 Drie Nederlandse gesprekspartners

Nadat Epema uiteen heeft gezet hoe transcendentie en transformatie in zowel historische als religieuze zin begrepen moeten worden, brengt ze Taylor in gesprek met drie verschillende visies op de betekenis van religie in de 21e eeuw. Zij kiest hierbij voor drie Nederlandse gesprekspartners die vanuit een verschillend perspectief net als Taylor fundamenteel nadenken over de secularisatie en de toekomst van religie in de westerse cultuur. De eerste gesprekspartner is Erik Borgman, de tweede Ger Groot en de derde Harry Kuitert. Borgman verdedigt een theïstisch christelijk perspectief op transcendentie. Groot zoekt in het hedendaags seculier humanisme naar de transformerende kracht van rituelen, die voorbij het rationele bewijs mensen raakt. En bij Kuitert, die alles van boven via beneden laat lopen en secularisatie als een zegen ervaart, verdwijnt het transcendente niet, maar zit het in de ervaring van het onontkoombare appel van de ander. Kaïn, waar is je broer?

Epema ontdekt dat alle drie een sterk pleidooi voeren voor de heiligheid van het gewone leven. Volgens haar sluit het belang van deze waarde aan op Taylors visie op de christelijke notie van incarnatie. Dat is een interessant thema om transformatie en transcendentie weer in de alledaagse realiteit terug te brengen.

Wat Epema misschien te weinig benadrukt is, dat Taylor zich van deze drie Nederlandse auteurs onderscheidt in de rol die de communio in zijn werk speelt en in de betekenis van het begrip agape.

 Motivatie

Wat bezielde Epema om door deze denker en zijn twee vuistdikke werken heen te ploegen? Ik vermoed, dat het de leeservaring is die ik eerder aanhaalde, dat Epema al lezend zelf zowel als het gaat om inzicht in het historische narratief van het zelf en de secularisatie in de westerse wereld én de religieuze herkenning en transformatie als leeservaring.  In haar conclusie verwoordt ze het aldus: “Dat is de overtuiging dat er een diepere waarheid te vinden is, die ieder mens afzonderlijk en alle mensen samen aangaat en die niemand uitsluit. Een grond of eenheid onder de duizelingwekkende veelheid van verschijningen en overtuigingen, die deze veelheid maakt en draagt.” (326) Het is dit verlangen dat Epema in Taylor’s begrip transformatie bevroedde, ervoer en vond.

Volgens mij is een volgende stap nodig en mogelijk, namelijk dit verlangen naar een grond en een dragende eenheid te verzilveren door te onderzoeken, hoe o.a. de zen-boeddhistische traditie mensen via meditatie én de christelijk mystieke traditie via contemplatie ons verbindt met deze in ons diepere zelf verborgen transindividuele grond en ons een eenheidservaring kan brengen als we ontdekken dat de transcendentie in de immanentie schuil gaat. En daarnaast door te tonen dat er in de Joods-christelijke teksten een gelaagdheid schuilt waar de fijnere talen, waarvan Taylor spreekt, te vinden zijn. Epema heeft met dit proefschrift een betekenisvolle bijdrage geleverd aan het gesprek tussen geloof en ongeloof, aan de bespreking van toekomst van religie in de post-seculiere tijd vanuit die beide sleuteltermen transformatie en transcendentie.

Sytze Ypma

 

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: