Reactie: Waken met Christus

Filosofe Désanne van Brederode is enthousiast over de ideeën van Rick Benjamins en Jan Offringa: ‘Maar het moet niet te gezellig worden’.

16427318_1226945030728354_2763305110693736142_n

Désanne van Brederode is schrijfster en filosofe.

De tafel, de maaltijd, als hart van een viering. Het wel onderbouwde pleidooi ervoor, alsook het voorstel voor een nieuwe vormgeving en praxis ervan: ik las de artikelen van Rick Benjamins en Jan Offringa met waardering. Ze brachten me daarnaast ook terug naar mijn eigen jeugd.

Mijn vader, een uitgetreden jezuïet die sinds zijn huwelijk onder andere werkzaam was geweest als bestuurder en als ambtenaar, wilde tien jaar later toch weer gehoorgeven aan zijn roeping. Worstelingen met- en teleurstellingen in het instituut kerk hadden zijn geloof er niet zwakker op gemaakt – integendeel.

Het alledaagse werk-en-gezinsleven dat hij als priester alleen uit theorieën, observaties en (biecht)gesprekken kende, had hem veel bijgeleerd. Niet verwonderlijk dat het verlangen om als pastoraal opbouwwerker ‘terug te keren’ tot de katholieke kerk steeds vuriger werd, juist omdat daar begin jaren tachtig van de vorige eeuw plaats leek voor vernieuwing. In overleg met mijn moeder zette mijn vader de moedige stap en we verhuisden van Den Haag naar Den Bosch.

Eén van zijn taken aldaar was het ondersteunen en begeleiden van een oecumenisch kerk-initiatief in de nieuwbouwwijk Maaspoort, samen met een vrouwelijke dominee. Men kwam bijeen in de barakken van een basisschool, meestal op zaterdagmiddag. Actieve leden verzorgden ieder een onderdeel van de dienst. Ik herinner me daar voor het eerst Bridge over troubled water van Simon and Garfunkel gehoord te hebben, uit een wat krakerige cassettespeler, en ik herinner me gestencilde blaadjes met gebeden en liederen, met de vlekkerige lay-out van een schoolkrant.

En: ik herinner me communie/avondmaal-vieringen, grotendeels identiek aan de suggesties van Offringa. (Waarmee ik niet wil beweren dat hij hiermee dus oude wijn in nieuwe zakken doet.)

Met beide auteurs deel ik de gedachte dat het vieren van de gezamenlijke maaltijd hoegenaamd geen bijzaak in het kerkzijn behoort te zijn en als kind al beleefde ik communie en kerk op een Paulinische manier – al begrijp ik dat pas sinds kort. Ik vond de tafelviering, soms zelfs zonder tafel, zittend in een kring, in deze oecumenische basisbeweging erg ontroerend en nam er graag aan deel.

De gemeenschapsvormende werking ervan was duidelijk ervaarbaar, zeker ook in de hartelijke en openhartige gesprekken rondom. Toch was er iets wat ik bijzonder miste. Dat was een gevoel van eerbied. Van heilig ontzag. Het was, vergeef me de term, te ‘gezellig’, te saamhorig.

En als me uit de evangeliën één ding duidelijk was geworden, was dat het Laatste Avondmaal dat Jezus met zijn discipelen (nee, vrienden) hield, bijzonder inhoudsrijk en intens was geweest, maar alles behalve gezellig. Ik vermoed dat de aanzittenden maar met moeite konden eten en drinken. Zelfs als ze probeerden te begrijpen wat Jezus met zijn handelingen wilden uitdrukken, zelfs als ze zijn dank-en-afscheidswoorden en zijn vertrouwensvolle vooruitblik op de wat komen zou tot zich door konden laten dringen, neem ik aan dat dit liefdesoffer hen met stomheid heeft geslagen en wel zo, dat sommigen zich misschien eenzaam en ontroostbaar voelden. Terwijl Jezus, vlak na de maaltijd, nota bene zélf de moed verliest. En huilt en bloed zweet, bevreesd, en aan zijn in slaap gevallen vrienden de vraag stelt: ‘Kunnen jullie dan niet één uur met mij waken?’

Van voetwassing tot de kus van verraad, van het laten rondgaan van de kelk met wijn tot aan de uitroep ‘Laat deze beker aan mij voorbijgaan’ en de uiteindelijke arrestatie: het breken van het brood en drinken van de wijn hebben plaats in een sfeer die noch langs de weg van de – sentimentele – compassie, noch langs de weg van metafoor of symboolduiding te benaderen is: beide ontkrachten de onbevattelijke dramatiek.
Jezus, Gods Zoon, is hier in het hart van zijn eigen, zojuist opgegeven leven beland, en in zijn goddelijke offerdaad wordt hij, paradoxaal genoeg, méér mens dan ooit. Hij lijkt zelfs even zijn geloof te verliezen, én hij heeft wakende vrienden nodig.

Naarmate ik ouder word begrijp ik dat verstandelijk steeds minder, en dat is misschien precies waar waarlijk geloven begint. Om die reden ga ik zelf naar een kerk waarbij het offer-en-communie-gedeelte het grootste deel van de dienst beslaat en uiterst gestileerd en ‘stil’ plaats heeft. Ieder woord, ieder gebaar, iedere handeling is geladen met betekenis, maar er wordt niet bij vermeld welke. De gemeente ondergaat actief, in ‘willende overgave’ deze Mensenwijdingsdienst en neemt, staande in een halve ellips rond het (verhoogde) altaar, deel aan de maaltijd in brood en druivensap. Deze eerbiedige stilte van alle individuen tezamen maakt ontvankelijk. Schept ruimte voor genade. Waar er twee of drie in Zijn Naam bijeen zijn…

Natuurlijk kan er buiten de dienst zeer wel over persoonlijke ervaringen worden gesproken, over kerk-zijn in de wereld, over gemeenschapsvorming, over woorden en handelingen uit de dienst, over de toespraak en de evangelielezing enzovoorts. Maar rondom het sacrament zijn de deelnemers van de maaltijd één uur wakend bij Jezus Christus aanwezig. Zwijgend. Met zintuigen en ziel wijd open, en met lege handen.

Delen en uitdelen van de gaven, door de dag heen, zonder voorbehoud, gewoon ‘op straat’, kan op maandag weer volop. De zondagse dienst is nu net een oefening voor maandag en de rest van de week. Dunkt mij. Een moment waarop je vrijwillig afziet van alle meningen en gevoelens in eigen hoofd en gemoed, en in een vol zelfbewustzijn wilt beamen: niet ik, maar Christus in mij.

Een viering waarin de maaltijd centraal staat, met of zonder tafel, lijkt me inderdaad een stap voorwaarts richting kerkvernieuwing. Maar omdat je op één been niet kunt staan en lopen en ook het kruis niet uit één balk, maar uit twee balken bestaat, een horizontale en een verticale, vermoed ik dat deze viering haar wijdende werking op mensen verliest als de gemeente niet samen ontzag en eerbied en stomheid oefent. Als een heilige lofzang zonder woorden. Zelfs, tijdens het eten en drinken, zonder muziek. Of het moet de muziek van ieders ademhaling, ieders kauwen en slikken, ieders hartslag zijn: dit is ons lichaam – dit ons warme bloed.

Brood en wijn brengen daarin soms een diepe zucht van verlichting.
Zonder een soms ondraaglijke, maar altijd onbevattelijke zwaarte kan dat niet.

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: