Lees eens Seneca! Over het troosttekort van het liberale christendom

In haar bijdrage ‘Misschien is er iets van troost‘ vraagt predikante Alke Liebich naar de troostfunctie van het geloof. Dat vind ik zonder meer moedig, want voor mij lijken troost en liberaal christendom een lastige verstandhouding te hebben. Hoe komt dat?

16052014Christoph Jedan

Christoph Jedan is professor voor ethiek en godsdienstfilosofie aan de Faculteit Godgeleerdheid en Godsdienstwetenschap, Rijksuniversiteit Groningen
Download het artikel hier als PDF

Het liberale christendom als bredere kerkelijke en culturele stroming problematiseert het verleden. In een radicaal veranderde culturele context, aldus de overtuiging, kunnen we klassieke troostmotieven niet zonder meer herhalen. Echter, het christendom is door tal van factoren – als een ‘religie van het boek’, die altijd al ‘orthodoxie’ boven ‘orthopraxie’ heeft gesteld – een culturele stroming van betekenisgeving, van troost, die zich op een unieke manier verbonden weet met het verleden: stichter, geschriften, traditie, liturgische vormen en ga zo maar door. Dat allemaal functioneert bij gratie van een intacte band met het verleden.

Problematisering van het verleden is dus niet zonder risico. Is de winst die ons in het vooruitzicht wordt gesteld groot genoeg om dat risico te aanvaarden? Een ding is zeker: het kan niet gaan om een herhalen van traditionele troostmotieven onder vermelding dat de traditie toch wel hoogst problematisch is. Wellicht is een nieuw liberaal-theologisch model nodig, een nieuwe manier om het troosttekort te adresseren.

In Liebichs bijdrage zie ik – bij alle waardering voor de vraagsteller en haar vraagstelling – geen dergelijke nieuwe weg. Om te beginnen stelt Liebich de huidige culturele context aan de orde: “Wanneer de behoefte aan troost verandert, verandert ook de relatie tussen troost en geloof. Daarmee ligt ook de vanzelfsprekende vooronderstelling dat geloof toch troost moet bieden op de snijtafel.” Achter deze uitspraak ligt de gedachte dat in de context van de moderne autonomie, troost als heteronoom wordt ervaren, en theologie op deze verschuiving zou moeten reageren. In dit kader stelt Liebich dat “‘…wil mij als een kind behand’len dat alleen de weg niet vindt’ (lied 913 Nieuw Liedboek, woorden van Jacqueline van der Waals) [niet] werkt … als troost voor mondige mensen.”

Meteen al bij deze probleemanalyse scheiden zich onze wegen. Is het daadwerkelijk het geval dat idealen van mondigheid en autonomie een breed gedeelde reserve ten opzichte van troost veroorzaken, en dat traditionele troostmotieven vandaar niet meer bruikbaar zijn? Hiertegen wil ik twee gedachten inbrengen: (1) Het is een historisch gegeven dat de oudste troostbrieven die we in de westerse cultuur hebben, uit de Grieks-romeinse oudheid, al schrijven in de context van een zekere reserve ten opzichte van troost. Als mondigheid en autonomie hier de oorzaak van zouden zijn, is dit niet pas een moderne ontwikkeling. (2) Wellicht onderscheidt zich onze tijd helemaal niet van de voorafgaande door een nadruk op mondigheid en autonomie, maar door een nieuwe nadruk op twee zaken: (a) het belang van biografische uniciteit (moderne tijd) en (b) het belang op persoonlijke ervaring (waarbij het niet uitmaakt of we onze tijd aanduiden als laat-, post- of hypermodern).

Als mijn analyse juist is, worden traditionele troostmotieven tegenwoordig als problematisch ervaren, omdat ze een algemene vorm hebben (dus niet herkenbaar enkel aan één specifiek persoon zijn gericht) en omdat ze niet berusten op de vergelijkbare ervaring van een andere: de troostgever, die als ervaringsdeskundige recht van spreken heeft. Met andere woorden: we kunnen verwachten dat de troost die het nu goed doet moet voldoen aan twee voorwaarden: (a) hij richt zich herkenbaar tot een individu en (b) beklemtoont een gedeelde horizon van ervaring: de ervaringsdeskundigheid van de trooster met precies hetzelfde verlies dat de te troostende doorleeft.

Vanuit dit perspectief is goed begrijpelijk waarom online fora van en voor mensen in vergelijkbare omstandigheden een belangrijke rol spelen voor troost anno nu. Het is ook goed begrijpelijk waarom religieuze troost – vanuit welke kerkelijke stroming dan ook – zo moeilijk landt: het gaat vaak om algemene uitspraken voor een hele gemeente, misschien zelfs de hele christenheid. Het probleem is alleen dat het lijden van de stichterfiguur weliswaar indrukwekkend is, maar waarschijnlijk ook een ‘ver-van-mijn-bed-show’: wat heeft een jonge moeder die doodgaat aan uitgezaaide borstkanker, of straks aan covid-19, op met de dood van de zoon van God, nu bijna tweeduizend jaar geleden? Hoeveel nadruk er ook komt te liggen op de herkenbaarheid van zijn angst, dit blijft toch te algemeen. Hij stierf niet aan borstkanker of covid-19, en gaf zijn leven ook niet voor de bestrijding van die ziektes. Hij hoefde geen jonge kinderen achter te laten onder de hoede van een straks werkeloze vader (want de economie zal moeten herstellen, daarvoor zullen offers moeten worden gebracht).

Evangelische stromingen kunnen door hun nadruk op collectieve ervaring gemakkelijker aansluiten bij de tijdsgeest, maar dat wil nog niet zeggen dat zich dit collectieve enthousiasme laat vertalen in effectieve troost in een een-op-een relatie. Als mijn analyse juist is, is elke vorm van collectieve, generaliserende troost verdacht. Ook het liberale christendom zal zich daar niet – of tenminste niet gemakkelijk – aan kunnen onttrekken.

De vraag is nu of Liebich een alternatief te bieden heeft dat in deze tijden wel zou kunnen werken. Hier ben ik ronduit sceptisch. In feite komt Liebich niet verder dan het kinderlijke geloof van Jacqueline van der Waals: Het zal op een of andere manier goedkomen, ook al gaat het niet om een goede afloop ‘zonder meer’. Het ‘mogelijke goede’ zal er ‘per situatie verschillend’ uitzien. Functioneerde hoopvol vertrouwen ooit op een andere manier? Ik betwijfel het. Hoop was nooit ‘rotsvaste zekerheid’ van een specifieke uitkomst, en kan dit ook nooit zijn. Liebich geeft mondigheid en controle – de kenmerken van het moderne autonomie-ideaal – expliciet op. De liberale gelovige krijgt door Liebich slechts een comfort blanket aangeboden. Het liberaal-christelijke opgeven van mondigheid en controle wordt getypeerd als ‘moed en oprechtheid’. Hoezo? Ik zie niet meer dan het terugvallen op een bestaand geloofspatroon, zij het na meerdere retorische schijnbewegingen, die moeten aangeven hoezeer de tijd is veranderd. Wat zijn we hiermee uiteindelijk opgeschoten?

Wat ik bij Liebich bespeur is een ongemakkelijke spagaat. Aan de ene kant wil ze aan de traditionele troostmotieven vasthouden, aan de andere kant ondermijnt ze het gezag van die troostmotieven door te hameren op een radicaal nieuwe historische context. In haar spagaat zou het kunnen helpen om zich sterker aan Paul Tillich te oriënteren, voor wie het verschil tussen heden en verleden kleiner is dan voor de door haar aangehaalde Dietrich Bonhoeffer. Zo bijvoorbeeld in een gesprek tussen Heinz Zahrnt en Paul Tillich:

“Denken Sie mal an die Menschen, die jetzt unter uns im Hause schlafen. Welche Fragen bewegen sie denn? Es sind noch immer dieselben Fragen, die sie schon vor zweitausend Jahren bewegt haben: die Frage nach der Schuld, die Frage nach der Liebe, nach der Gerechtigkeit in der Welt, nach dem Sinn des Lebens, nach dem Tod.”

Bij nader inzien levert Liebich geen nieuw model van troost, maar getuige het citaat van Paul Tillich hoeft dat misschien ook niet.

Echter, als we aan een duidelijke discontinuïteit van heden en verleden willen vasthouden – en ik heb boven aangegeven waar volgens mij de breuklijnen zouden lopen – dan ligt het voor de hand dat een op dezelfde voet verder gaan, zij het met enkele preambules, geen optie is. Generaliserend spreken zal niet helpen, en het zal lastig zijn – zelfs binnen een brede kerk – om het ervaringsverschil tussen troostontvanger en troostgever teniet te doen.

Wellicht kan een verandering van spreekmodus helpen, misschien ook het aanhalen van teksten die we niet eerder in ogenschouw namen. Neem bijvoorbeeld Seneca. In zijn troostbrief aan Marcia, een hooggeplaatste Romeinse dame, die rouwt om het verlies van haar lievelingszoon Metilius, laat Seneca zien wat de Grieks-Romeinse cultuur (ongeveer ten tijde van de vroegste teksten van het Nieuwe Testament) in huis heeft aan radicale en mooie gedachten over verlies en troost. Laat ik een paar voorbeelden noemen:

Seneca presenteert geen geloofszekerheden, maar onderzoekt mogelijke alternatieven, en hij doet dat op een zwevende, haast poëtische manier. Mocht het zo zijn dat Metilius’ bestaan onherroepelijk zijn einde heeft gevonden, dat hij dus eenvoudigweg verteert in zijn graf, dan nog mogen we dankbaar zijn voor Metilius’ bestaan en troost putten uit alle schoonheid van dat bestaan.

Mocht het echter zo zijn dat Metilius een onsterfelijke ziel heeft en ongekende inzichten verkrijgt in een hiernamaals, dan is dat mooi meegenomen. Seneca presenteert dit als een mogelijkheid, een wens, iets dat Marcia zou willen geloven, maar hij pretendeert op geen enkele manier zekerheden te kunnen verschaffen. Seneca speelt– stoïcijn die hij is – verder met die gedachte. Onsterfelijkheid wordt niet voorgesteld als een contact met een God of goden. Veeleer is het een denkmogelijkheid, een radicale verandering van perspectief op het menselijk leven, dat opnieuw vanuit een kosmisch, goddelijk perspectief wordt bekeken. Zelfs binnen dit poëtische scenario kan onsterfelijkheid niet meer zijn dan een beperkte extensie van Metilius’ bestaan. Waar Metilius en andere ‘onsterfelijken’ ten diepste naar uit zouden moeten kijken, is hoe de hele kosmos in een grote wereldbrand vergaat en opnieuw ontstaat. Metilius zou blij zijn – niet om het behoud van zijn eigen beperkte bestaan, maar omdat hij zich bewust zou zijn van de schoonheid en kracht van de kosmos. Zich daar een miniem deeltje van te weten, dat is de beste troost die er is.

Zou dit allemaal kunnen helpen? Misschien wel, misschien niet. Seneca’s troostgedachten hebben in elk geval wel het voordeel dat ze op een voor onze oren nieuwe manier worden uitgesproken, door iemand die we zo nog niet op ons culturele radarscherm hadden.

Als ik naar een hedendaagse denker als John Caputo kijk, dan staat hij volgens mij veel dichter bij de troostgedachten van Seneca dan bij het problematiseren van klassieke troostmotieven door Liebich.

Een ding staat voor mij vast: een spagaat tussen enerzijds problematiseren en anderzijds herhalen van de christelijke troosttraditie is geen houdbare positie. Laat je uitdagen, zou ik zeggen, en lees eens Seneca!

 

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: