Catherine Keller en ons verstrengeld bestaan

Door prof. dr. Hans Alma

Ik heb er lang omheen gelopen, om het boek Political Theology of the Earth (2018) van Catherine Keller. Durfde ik het aan om een boek te bespreken waarvan ik veel niet begrijp? Een boek dat me soms ergert omdat ik zou willen dat het toegankelijker was geschreven? Maar toen ik Frits de Lange’s bespreking van Oog in Oog met Gaia van Bruno Latour las, besefte ik dat ik er niet langer omheen kon. De Lange’s pleidooi voor een ‘veraardsing’ van onze theologie en zijn vermoeden dat ruimte voor God gevonden kan worden bij het kwetsbare Worden in plaats van bij het eeuwige Zijn: het sluit naadloos aan bij Kellers betoog en bij de urgentie die ik voel als het om hedendaagse theologie gaat.

En dus pakte ik het boek weer uit de kast en zag tot mijn verrassing dat ik veel alinea’s had aangestreept, van aantekeningen had voorzien, met pijlen had benadrukt. Blijkbaar had ik meer van het boek begrepen dan in de herinnering van mijn leeservaring was blijven hangen. In mijn stug volhouden van het lezen in een tekst die ik soms ondoorgrondelijk vond, heb ik meer kunnen oppakken dan ik me achteraf realiseerde. Misschien is dat de manier waarop zo’n boek gelezen moet worden. In termen van Keller zelf gaat het om ‘staying with the trouble’: in dit geval een boek dat je moeite kost niet gefrustreerd wegleggen, maar er bij blijven en steeds weer zinnetjes vinden waar je bij kunt aanhaken, soms pareltjes die je op nieuwe gedachten brengen. Ik neem jullie dus mee in mijn leestocht door het boek en pik er een paar dingen uit die ik van cruciaal belang vind voor de reflectie op religie in deze tijd.

Seculareligious faith

In de eerste plaats betekent het boek een (her)waardering van het seculiere. Keller sluit aan bij de benadering van de theoloog John Cobb, die onderscheid maakt tussen secularisatie en secularisme. Secularisatie heeft volgens hem een profetische functie: zij richt de aandacht van religie en theologie op het aardse, op wat in dit bestaan aan de orde is en aan de kaak gesteld moet worden. Secularisatie neemt er geen genoegen mee dat religie en theologie zich ‘opsluiten’ in de bespiegeling van en mythevorming rond een bovennatuurlijke werkelijkheid. Secularisatie richt zich tegen het verabsoluteren van een waarheid maar zonder de wijsheid die in religieuze tradities besloten ligt te verwerpen, zoals secularisme doet. Het gaat Cobb meer specifiek om kritische reflectie op de christelijke waarheden die zijn overgeleverd, in het licht van nieuwe kennis en van de uitdagingen waar deze tijd ons voor stelt, in het bijzonder de ecologische crisis. Secularisme daarentegen, dat de waarheidsaanspraken van religie verwerpt, is in feite een nieuwe religie met eigen dogma’s.

Keller spreekt over ‘seculareligious faith’ en over een theologie die articuleert wat er onvoorwaardelijk toe doet. In het Engels levert dat een mooie woordspeling op, want voor ‘er toe doen’ gebruikt zij het werkwoord ‘matter’. Zo wordt theologie verbonden met materie, de materie waaruit wij bestaan en waarmee wij onlosmakelijke verweven zijn. Keller pleit voor een politieke theologie die ingebed is in de kwetsbaarheden van onze aarde. In de bespreking van die kwetsbaarheden benadrukt zij dat vragen van sociale rechtvaardigheid en van ecologische leefbaarheid hand in hand gaan. Haar theologie wil ons onrustig maken en mobiliseren op ecosociaal gebied. Compassie is bij haar geen medelijden op veilige afstand, maar een ‘sharing of agony’, een delen in de pijn, met politieke consequenties in de strijd voor een groter gedeeld goed: een goed waarin ook degenen die door de maatschappij worden uitgesloten volwaardig kunnen delen. En uitgesloten zijn niet alleen talloze mensen die niet aan de criteria van ‘normaliteit’ voldoen, maar ook niet-menselijke levensvormen die erkenning verdienen als mede-aardbewoners.

Passie voor het mogelijke

Keller laat zich inspireren door o.a. procesfilosofie, zwarte theologie, ecofeminisme om tot een manier van denken te komen die zekerheden wantrouwt en daardoor juist ruimte vindt voor hoop en creativiteit. Een woord dat steeds weer opduikt in haar boek is ‘possibility’, mogelijkheid. Dat maakt van haar geen optimist die zich vastklampt aan de overtuiging dat het goed zal komen. Mogelijkheid en onmogelijkheid liggen in haar theologie dicht bij elkaar. Temidden van het verwarrende onmogelijke kan het mogelijke tevoorschijn komen als fragiel maar creatief, als een nieuw begin. Dat onwaarschijnlijke mogelijke vraagt voor zijn realisatie om een gemeenschappelijk streven, een ‘nieuwe samenkomst’ dwars door alle verschillen die ons kunnen scheiden heen. Belangrijk is dat we die verschillen erkennen en ze met elkaar aangaan zonder vijandig te worden. Keller gebruikt de term ‘agonistisch respect’ die ze aan de politiek filosoof William Connolly ontleent: we kunnen het oneens met elkaar zijn zonder respect te verliezen en elkaar te bestrijden. Confrontatie en crisis kunnen dan de aanzet zijn tot iets nieuws, tot een ‘worden’ dat hoop kan geven.

Catherine Keller

Steeds weer waarschuwt Keller voor de risico’s van ons vastklampen aan wat zekerheid belooft te bieden. Zij stemt in met Moltmanns visie op hoop als ‘de passie voor het mogelijke’, maar ziet ook dat hoop makkelijk leidt tot het verafgoden van een geïdealiseerde toekomst. Radicale openheid is essentieel om de dictatuur van de zekerheid te ontlopen. Het mogelijke waar we op hopen ligt niet al ergens kant-en-klaar, maar kan present-worden – of niet. Hopen is risico nemen, is chaos uithouden en erop vertrouwen dat in die chaos, waarin de scheidslijnen die ons houvast geven ontbreken, iets nieuws mogelijk wordt. Theologie gaat voor Keller over het mogelijke-in-wording dat afhankelijk is van onze gezamenlijke inzet voor een kwetsbare aarde. Een gezamenlijkheid die het niet moet hebben van zuiver geloof of uniforme eenheid, maar van de energie en dynamiek die werkzaam zijn in onze verschillen. In al onze diversiteit zijn we aardelingen die in de wirwar van ons verstrengelde bestaan uitgenodigd worden om deel te hebben aan een wereld in wording.

Experimenteren
Transcendentie heeft in Kellers benadering te maken met een gezamenlijke streven dat in feite een gezamenlijke strijd is: een strijd ergens doorheen, een klimtocht ergens overheen. Wat moeten we overwinnen? Een manier van kijken naar de aarde, een ‘wereld schema’ dat in het teken staat van zekerheid en dat we achter ons moeten laten om ons open te stellen voor het mogelijke dat zich alleen als het nog-niet-bekende laat kennen. Dat brengt ons op ruig terrein waar we gemakkelijk kunnen falen. Maar we kunnen ook dúrven falen, béter falen, omdat het meer creatieve, beloftevolle en verrassende manieren van onze wereld bewonen kan opleveren. Manieren die niet berusten op plannen en blauwdrukken, maar op gaandeweg experimenteren. Keller spreekt in dit verband over God als de lokstem van het mogelijke, die ons uitnodigt tot co-creatie om wat als mogelijkheid verschijnt te verzorgen, aan te wakkeren, te laten worden. Het is voor haar niet vanzelfsprekend dat we over ‘God’ spreken en waar zij dat doet is het in relatie tot werkwoorden als worden, gebeuren, opflakkeren, aandringen, (op)roepen, omarmen – in directe relatie tot onze materiële werkelijkheid: het kwetsbare aarde-thuis dat wij bewonen in verstrengeling met andere bestaansvormen.

Hans Alma

Mijn aantekeningen in de vorm van kernwoorden uit Kellers tekst lezen als een gedicht. Een gedicht dat de urgentie uitdrukt van de boodschap in haar boek. Wij worden geroepen, het mogelijke wordt ons gegeven en wij worden uitgenodigd om te participeren in het waar maken daarvan. Keller oppert dat dat misschien heel praktisch begint met een stil samen ademen, een samen-zijn in een lichaamsbeweging die ons door alle diversiteit heen verbindt, en in een stilte waarin we de onhoorbare lokstem van het mogelijke kunnen opmerken. Praktijken van contemplatie vestigen onze aandacht op wat doorgaans geen stem krijgt en stimuleren niet tot tegengeluid – het excuus, de rationalisatie, het slimme argument – maar tot een handelend gehoor geven aan wat zich als mogelijkheid aandient in ons leven van alledag. Antwoorden doen wij door daadwerkelijk onze verantwoordelijkheid te nemen.

Hans Alma is hoogleraar geestelijke zorg en religieus-humanistische zingeving aan de faculteit Religie en Theologie aan de VU. Onlangs schreef zij ‘Het verlangen naar zin’,  dat werd genomineerd voor de prijs Beste Spirituele Boek 2021.

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: