Bruno Latour en de Apocalyps

Waarom theologen Oog in oog met Gaia. Acht lezingen over het Nieuwe Klimaatsregime (2015) van Bruno Latour zouden moeten lezen? Ik noem drie redenen: allereerst om te beseffen hoe hopeloos het met de aarde en ons gesteld is. Vervolgens: voor de indringende analyse die Latour biedt van de rol van christelijke religie in de ecocrisis. Tenslotte: om ons te stimuleren bij de ‘veraardsing’ van onze theologie.

De Apocalyps

Toegegeven, hoe slecht de aarde eraan toe is – daar hoef je Latour niet voor te lezen, dan heb je aan de krant genoeg. Gister kopte Trouw dat we afstevenen op drie graden opwarming, vandaag (ik schrijf 11 december 2020) dat we vijf jaar na het klimaatakkoord van Parijs de doelstellingen bij lange na niet halen. Integendeel. En morgen vast weer meer dramatisch nieuws over groeiende emissies en dalende biodiversiteit.

Latour zet die sombere krantenkoppen echter wel in een verhelderend kader. Het beeld waarmee hij zijn boek opent, is indringend: een danseres die achterwaarts danst omdat ze ontvluchten wil wat ze voor ogen heeft, zich dan omdraait en verstijft van angst om wat ze dan voor zich ziet. Zij symboliseert de lezer die uiteindelijk oog in oog met Gaia staat. De klimaatramp waar we op af stevenen is onafwendbaar, meent Latour, omdat hij al een halve eeuw geleden, vanaf de jaren zeventig, definitief is ingezet. We kunnen nu alleen kiezen hoe we straks omgaan met de gevolgen van de opwarming en de vernietiging van ecosystemen, niet óf ze er zullen zijn.

Ook al is Latour atheïst en heeft hij persoonlijk niks met christelijk geloof, het thema van de Apocalyps is alomtegenwoordig in zijn boek. Maar let wel: we stevenen er niet op af, maar we zitten er middenin. We leven in de eindtijd van de wereld zoals we die kennen. We moeten opnieuw uitvinden wat het betekent te (over)leven.

Heilsgeschiedenis?

Hoe heeft het zover kunnen komen? En belangrijker nog: waarom lijken de feiten niet echt tot ons door te dringen? Dat heeft een religieuze reden, meent Latour. Zijn historische analyse is een tweede reden die hem theologisch relevant maakt. De breed aangehangen stelling van Lynn White Jr. dat de christelijke exegese van Genesis de positie van de mens als heerser over de schepping legitimeerde, graaft lang niet diep genoeg. Om het antropocentrisme te keren, zouden we aan wat meer groene theologie genoeg hebben. Nee, het ligt fundamenteler. Het christendom is een verlossingsreligie geworden die geen apocalyps meer hoefde te vrezen omdat ze het heil in Jezus Christus al in huis had.

Geloof was tot aan de Middeleeuwen, in het spoor van Augustinus, een manier om met vrees en beven de onzekerheid van dit bestaan uit te houden. Maar vanaf zo ongeveer de 17e eeuw werd het een vorm van zekerheid. “Ons kan niets wezenlijks meer overkomen”, werd de grondhouding die daarbij past. Latour noemt dit de strategie van de immanentisering van het transcendente. We hoeven niet naar de andere kant van de geschiedenis, we zijn er al! De heilsgeschiedenis van schepping via verlossing naar voleinding wordt als een spoorboekje gelezen. Een merkwaardige ongevoeligheid en onverschilligheid voor wat er met de aarde gebeurt is het gevolg.

In navolging van de politieke filosoof Eric Vogelien (1901-1985) spreekt Latour van de moderne gnosticering van het christendom: geloof wordt opgevat als een vorm van openbaringskennis. Vijandschap tegenover de materie werd kenmerkend voor het moderne christendom, net als ooit voor de vroeg-christelijke gnostiek. Het hele concept van heilsgeschiedenis, met Christus als het midden en zijn wederkomst als de voltooiing ervan in schema uitgetekend (ik denk even aan Oscar Cullman’s Christ and Time uit mijn studententijd), is op kosmische schaal gezien echter een bijziendheid. We komen als mensheid nog maar net kijken en tussen ons en Jezus van Nazareth zit slechts een fractie van de 200.000 jaar mensheidsgeschiedenis. Maar het meest funeste in deze theologie is wel de ingebakken zekerheid – dat het goed afloopt? nee – dat de geschiedenis in feite al goed afgelopen is!

Aardeling

We leven in de Apocalyps: deze wereld is voorbijgegaan, een andere zal komen. We zullen daarvoor een andere ontologie en metafysica dan de gangbare moeten ontwikkelen om onze verhouding tot de dingen uit te drukken. Daarvoor doet Latour ook voorstellen. Termen als ‘mens’ en ‘natuur’ zijn voor hem een erfenis van de oude wereld, daar moeten we van af. Ze suggereren dat die twee verschillende grootheden zijn. Waarbij ‘de mens’ een eigen geschiedenis heeft en ‘de natuur’ zichzelf gelijk blijft. Terwijl beide in een en dezelfde turbulente metamorfose van de geogeschiedenis verwikkeld zijn! Ook in het schijnbaar seculiere begrip ‘natuur’ zit nog steeds de theologische veronderstelling dat zij eeuwig is en onveranderlijk, net als de God van het klassieke christendom. Weer ‘als mens in harmonie gaan leven met de natuur’ mag dan revolutionair klinken, maar zet geen zoden aan de dijk. Het moderne natuurbegrip veronderstelt nog steeds de fundamentele stabiliteit van het Zijn, een manier van denken die behoort bij de oude, vergaande wereld.

Latour doet een voorstel: laten we de mens voortaan ‘aardeling’ noemen, en hem/haar oproepen om voortaan oog in oog met Gaia te willen staan. Gaia – dat is een oude Griekse naam voor de aarde, die door ecoloog James Lovelock in 1979 weer in ere werd hersteld. In de ecologische beweging werd Gaia daarna soms weer de naam voor een nieuwe god waarvoor we op de knieën moeten. Maar Latour wijst erop dat Gaia in de mythologie een ondefinieerbare oermacht is, geen bekende god uit het Griekse pantheon. De Gaia vandaag is een dunne membraam, een atmosfeer van amper 100 kilometer dik, een fragiel geologisch krachtenveld waarvan de mens nu mede de toekomst in handen heeft. Wil je ergens bij Latour ruimte voor ‘God’ zoeken, dan moet je niet bij het eeuwige Zijn te rade, maar bij het kwetsbare Worden.

Frits de Lange

Hoogleraar Ethiek Protestants Theologische Universiteit Groningen

http://www.fritsdelange.nl

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

<span>%d</span> bloggers liken dit: