Aan tafel!

In het artikel ‘Aan tafel!’ verdedigt prof. dr. Rick Benjamins de stelling dat de protestantse kerk niet de kansel maar de tafel centraal zou moeten stellen.

 

redactie_liberaalchristendomProf. dr. Rick Benjamins is bijzonder hoogleraar vrijzinnige theologie (PThU/RUG) en universitair docent dogmatiek (PThU). Hij is één van de auteurs en redacteuren van het boek Liberaal christendom. 

Dit jaar wordt 500 jaar reformatie herdacht. Zo’n herdenking kan alleen maar zin hebben in het besef dat de kerk van de reformatie ‘semper reformanda’ is en dus voortdurend bereid moet zijn om zichzelf te veranderen en te vernieuwen. Ik ben er rond de herdenking alleen beducht voor dat die vernieuwing – waarschijnlijk zelfs onwillekeurig – te gemakkelijk binnen de gevestigde kaders blijft. Zij schrijven voor dat kerk en theologie volgens het protestantse oer-model moeten teruggaan naar de Bijbel. Volgens mij moeten kerk en theologie de gegeven kaders ook bevragen. En het lijkt me wenselijk om ze hier en daar te overschrijden.

Reformatie

De kerk kan voor haar vernieuwing niet zomaar teruggaan naar het begin van de reformatie. Dan slaan we belangrijke ontwikkelingen over, die in de geschiedenis van het protestantisme tot vernieuwende inzichten en theologische vragen hebben geleid. Die inzichten en vragen zijn naar mijn idee vooral door de moderne theologie van de negentiende eeuw op tafel gelegd.

Die moderne theologie wordt vaak gezien als een kritische theologie vanwege drie belangrijke opvattingen. Allereerst werd de Bijbel opgevat als een verzameling boeken die historisch-kritisch bestudeerd konden worden. Als een verzameling van boeken was de Bijbel mensenwerk. Vervolgens werden dogma’s gezien als articulaties van geloof in een bepaalde tijd onder bepaalde omstandigheden en dus niet als eeuwige en onveranderlijke waarheden. Tenslotte werd het christendom gezien als een lid – doorgaans wel het meest ontwikkelde lid – van de familie van de godsdiensten en niet langer als de ware godsdienst tegenover valse godsdiensten.

Die drie kritische, wetenschappelijk-theologische inzichten vormden echter niet het hele moderne verhaal. De modernen bleven ondanks hun kritische inslag namelijk zeer geëngageerd met het religieuze of godsdienstige leven en meenden dat religiositeit met de menselijke geest zelf gegeven was. De godsdienst was niet, op een rooms-katholieke manier, gefundeerd in de kerk met haar ambten en sacramenten. Ook niet orthodox protestants in de Bijbel als woord van God. Het fundament voor het religieuze en godsdienstige leven van mensen werd gezocht in de menselijke geest. In de menselijke geest klinkt (met Kant) het gebod om het goede te doen. Dat gebod wordt wel in de menselijke geest vernomen, maar ontspringt daar niet aan. In het besef van plicht spreekt God zogezegd rechtstreeks tot een mens. In die menselijke geest leeft (met Schleiermacher) een immanent besef van God. Dat besef manifesteert zich in het inzicht dat mensen wel zelfstandig zijn, maar zichzelf het bestaan niet hebben gegeven en in dat opzicht volstrekt afhankelijk zijn. Die menselijke geest is (met Hegel) een instantie van de goddelijke Geest die zich in de geschiedenis ontwikkelt door menselijke geesten heen. Een moderne basis voor het godsdienstige leven werd op deze verschillende manieren gevonden in de menselijke geest.

De reformatie werd door de moderne theologen – die wel ‘neo-protestanten’ werden genoemd – volgens die gedachtegang gewaardeerd. Dat komt bijvoorbeeld naar voren in het werk van L. W. E. Rauwenhoff (1828-1889), die in de hoogtijdagen van het modernisme kerkgeschiedenis doceerde in Leiden. De reformatie was volgens hem belangrijk voor de ontwikkeling van de menselijke geest, omdat daar het geloof in de eenheid van God en mens werd gerealiseerd en omdat daar de autonomie van het individuele geweten werd erkend.

Nu kan die moderne visie wel weer onder kritiek worden gesteld, maar het modernisme is toch een onvervreemdbaar deel van het protestantisme geworden en heeft onontkoombare vragen gesteld. Als die niet worden meegenomen, valt een protestantse kerk voor haar vernieuwing veel te snel terug op de Bijbel. ‘Schrift’ en ‘kerk’ worden dan gezien als vaststaande grootheden en het blijft regel dat de kerk zich moet vernieuwen op basis van de Schrift.

Schrift

Het is opmerkelijk dat in de protestantse theologie vaak wordt gevraagd naar een schriftuurlijke onderbouwing van een theologie. Omgekeerd wordt niet vaak nagedacht over een theologische onderbouwing van het schriftgebruik. Dat laat vooral de vooronderstelling in takt dat de Bijbel een van God gegeven geschrift is, waarin God zich rechtstreeks tot mensen wendt, waardoor aan de bijbelse geschriften een vanzelfsprekende autoriteit toekomt. Die visie verdraagt zich slecht met de exegetische inzichten dat de bijbelboeken zijn ontstaan in verschillende perioden van de geschiedenis, dat zij onderling een zeer divers karakter hebben, met elkaar een discussie aangaan en soms zelfs tegenstrijdig zijn.

Dat maakt het onmogelijk om de letter van de bijbelboeken aan het woord van God gelijk te stellen. Nu kan de stem van God wel degelijk door de boeken van de Bijbel heen klinken, zoals dat ook is gesteld in het boek Liberaal christendom. Daar is echter een hoorder of een lezer voor nodig die bij het lezen van de Bijbel zo wordt aangesproken dat die lezer in contact met de Bijbel iets van de stem van God ervaart.

Gods stem kan gehoord worden in het hart, door de Bijbel, maar bijvoorbeeld ook door de aanspraak van de ander of door actuele gebeurtenissen. Het horen van Gods stem impliceert onvermijdelijk ‘subjectiviteit’, omdat die stem niet anders kan worden gehoord dan door een subject dat zich aangesproken weet. De identificatie van Gods stem impliceert daarom altijd een waagstuk waarin de hoorder van de stem zichzelf in geloof op het spel zet, het risico neemt om naar die stem te handelen of de verantwoordelijkheid neemt om die stem af te wijzen. Dat waagstuk is aan een mens zelf. Aan mensen wordt de mogelijkheid gegeven om met God te leven, maar wat zij van God vernomen hebben staat altijd open voor aanvulling en correctie. Er zijn geen objectieve criteria om Gods stem te identificeren, ook niet in de Bijbel, zelfs niet waar onze opvattingen worden getoetst aan het bijbelse gesprek. Ook daar zullen wij stemmen en geesten moeten onderscheiden.

Natuurlijk heeft de Bijbel gezag. Wij weten heel goed dat de Bijbel aan ons voorafgaat en na ons doorgegeven wordt als onze stemmen al lang verstomd zijn. Daarin is de Bijbel onze meerdere en met dat gezag komt ze in de overlevering ook tot ons. Maar zolang wij er zijn, zijn wij het die als gelijkwaardige partners in het gesprek Gods stem vernemen in het bijbelwoord.

Het ‘protestantse probleem’ met de Bijbel ligt daarin, dat de Bijbel veel te snel aan het woord van God wordt gelijkgesteld. God zou dan met één stem spreken tegenover de stemmen van mensen en deze stem kan worden vastgesteld en van de kansel tot klinken worden gebracht. Het lijkt echter veel beter om te zeggen dat God niet spreekt door één stem, maar door het gesprek van aangesproken mensen. Zij brengen in wat zij als aangesproken mensen van God hebben verstaan en hoe hen dat bepaalt en zij laten zich in dat gesprek ook corrigeren door storende teksten of de mening van anderen. Er is geen kerkelijk leergezag dat Gods stem kan identificeren en die stem kan ook niet aan het woord van de Schrift worden gelijkgesteld. Het zijn individuen zelf die zich aangesproken weten en dat willen delen. Zo’n visie heeft natuurlijk ook gevolgen voor de kerk en de kerkdienst die zich willen richten naar het woord van God.

Kerk

Over het algemeen wordt gesteld dat het protestantisme een tamelijk zwak kerkbegrip heeft. De Rooms-Katholieke Kerk verbindt de kerk onmiddellijk met de clerus – met ambt, wijding en apostolische successie – en kent aan de kerk leergezag toe. Protestantse geschriften als de Augsburgse confessie en de Heidelbergse catechismus zijn daarin veel terughoudender. Zij houden er echter wel aan vast dat er een waar geloof is, dat het evangelie geleerd kan worden en dat de sacramenten worden bediend. Daar zit de overtuiging achter dat het in het christendom gaat om gefixeerde zaken die inderdaad geleerd en bediend kunnen worden. De stem van God en het heil van de mens kunnen worden vastgesteld en uitgedeeld en dat gebeurt door de kerk.

Voor de moderne theologie van de negentiende eeuw werd dat kerkbegrip ronduit problematisch. De modernisten wilden het christendom bewaren als een krachtige en creatieve invloed voor de vormgeving en hervorming van de samenleving, maar ze hadden niet veel op met het ouderwetse instituut van de kerk, dat vooral op een bovennatuurlijk heil was gericht. Het ging de modernen simpel gezegd niet om zo’n bovennatuurlijk heil. Het ging ze zelfs niet om de kerk, maar om de wereld. Het christendom moest bij de tijd gebracht worden om aan de ontwikkelingen van de wereld bij te dragen.

Het modernisme hoopte op een verandering van samenleving en kerk. Zo’n verandering moest plaatsvinden door een verandering van individuen en een vrije ontwikkeling van hun geestelijke en religieuze leven. Die hoop kwam echter niet uit. De eerder genoemde Rauwenhoff verwoordde dat in een beroemd geworden artikel uit 1880, ‘Idealisme zonder ideaal’. De samenleving veranderde niet in de gewenste richting maar keerde zich juist van het christendom af en de kerk nam in de breedte de moderne inzichten niet over. De moderne theologen gaven de kerk echter niet op en bepleitten voor een deel de gedachte van een volkskerk. Zo’n volkskerk zou zich moeten richten op het algemene goed en niet op de eigenbelangen van onderscheiden groepen. Daarmee lag in dit kerkbegrip een verzet tegen de verzuiling opgesloten. Het idee van een volkskerk verloor in de tweede helft van de twintigste eeuw door massale ontkerkelijking echter snel aan relevantie.

De hier genoemde gedachten over de kerk komen uit 1860 of iets later. Meer dan een eeuw daarna, in onze tijd, zijn opvattingen over de kerk alleen maar verder uiteen gaan lopen. In onze post-christelijke en post-seculiere tijd is er veel minder sprake van culturele homogeniteit dan in de negentiende eeuw. Daardoor wordt het alleen maar lastiger om te zeggen wat de kerk is of moet zijn. De samenleving waartoe de kerk zich wil verhouden verschilt alleen in Nederland al van plaats tot plaats, laat staan wereldwijd. Die situatie maakt het zo goed als onmogelijk en misschien zelfs onwenselijk om in het algemeen een bepaling van de kerk te geven die ‘semper reformanda’ wil zijn. Een geloofsgemeenschap kan zich daarin het best zelf bepalen. Toch doe ik hieronder een voorstel voor vernieuwing in algemene zin.

De tafel centraal

Een kerk van de hervorming die zichzelf wil blijven hervormen, kan voor haar vernieuwing niet zomaar teruggrijpen op de reformatie. Dan slaat ze belangrijke vragen, problemen en ontwikkelingen over. Ze kan ook niet ongewijzigd voortbouwen op de gedachte dat de kerk het woord van God volgens het juiste verstaan heeft uit te leggen, alsof ze dat woord met de Bijbel vast in handen heeft. Daarom stel ik voor om niet de verkondiging van het woord, maar de viering aan de tafel centraal te stellen. Het is daarbij overigens niet mijn bedoeling om hier te pleiten voor een bepaalde vorm van viering, maar om theologisch ruimte vrij te maken voor creativiteit in de vormgeving van de viering. Dat kan volgens mij aan tafel. Met de tafel bedoel ik de plaats waar brood en wijn worden gedeeld, waar de Bijbel in gesprek wordt gebracht en gaven en gebeden worden verzameld.

Van verschillende kanten wordt over de tafel heel verschillend gedacht en vaak in zwaar verankerde theologische concepten. Vanuit rooms-katholiek gezichtspunt kan over de tafel en de eucharistie nauwelijks gesproken worden zonder ambt en wijding die garanderen dat Christus aan tafel present is. Ik denk echter dat de tegenwoordigheid van Christus niet van de clerus afhankelijk is. Vanuit protestants gezichtspunt zal het avondmaal in de schriften gefundeerd moeten zijn. Het avondmaal wordt gehouden omdat het in de Bijbel staat. Ik denk echter dat de tafelgemeenschap aan de basis van de kerk staat en dat de schriften aan de gemeenschap zijn ontsprongen. Vanuit vrijzinnig gezichtspunt is het avondmaal vaak bezien als een dubieus of bijkomstig ritueel omdat het daar op een magische manier zou gaan over Christus’ aanwezigheid en het heil. Ik denk echter dat aan tafel een centrum van de viering gevonden kan worden. Die opvatting wil ik hier kort verduidelijken.

Rond de tafel komen mensen met hun onvervreemdbare eigenheid bijeen als een gemeenschap van mensen die elkaar in hun anders-zijn willen aanvaarden. Een gemeenschap van pluriformiteit, diversiteit en soms zelfs tegengesteldheid is daarmee gegeven. Die gemeenschap wordt niet gevormd onder de kansel maar aan tafel. Aan tafel erkennen en aanvaarden wij elkaar, ten diepste omdat wij ons in Christus door God aanvaard mogen weten en daarom elkaar aanvaarden en erkennen. Ik zou het zelfs zo scherp willen stellen, dat de aanvaarding door God in Christus wordt verwerkelijkt in onze aanvaarding van elkaar. Wij ontvangen ons eigen bestaan van Godswege door van een ander onze aanvaarding en erkenning te ontvangen. De gemeenschap rond de tafel is daarmee geen gemeenschap waarin het heil van woord en sacrament institutioneel wordt bediend, maar een gemeenschap waarin Gods aanwezigheid wordt gevierd doordat mensen rond de tafel gemeenschap willen vormen. Dat is een gemeenschap waarin de spanningen en conflicten van de samenleving meekomen, omdat mensen zichzelf aan tafel inbrengen en zo deze spanningen en conflicten in hun persoon meenemen.

Door de tafel centraal te stellen wordt de Bijbel niet buitengesloten, maar ingesloten. De verhouding tussen Schrift en tafel wordt echter wel anders bepaald dan in het protestantisme gebruikelijk is. Wij gaan niet aan tafel omdat het in de Bijbel staat, maar wij lezen de Bijbel aan tafel. Daar wordt gemeenschap door God in Christus gevierd. Wij vormen die gemeenschap en waar dat gevierd wordt, kan van alles gethematiseerd worden wat wij ontvangen en waartoe wij ons verplichten. Vanouds spreekt de theologie dan van genade en gebod of evangelie en wet. Bij die thematisering wordt het gesprek met de Bijbel gezocht en worden mensen als hoorders serieus genomen. Zij brengen in hoe zij zijn aangesproken en wat zij van God hebben verstaan. Daarbij hoeft de Bijbel ook niet per se als enige tekst te worden gelezen.

Belangrijk thema aan tafel is dat wij onaanvaardbaar kunnen zijn en onaanvaardbaar kunnen handelen. Het is evenzeer een thema dat wij anderen onaanvaardbaar kunnen vinden. Toch wordt aan tafel nu juist uitgedrukt dat wij ‘in Christus’ worden aanvaard door God en die aanvaarding krijgt gestalte in de aanvaarding van elkaar. Dat maakt de tafel tot een gave waarin ons gemeenschap wordt aangereikt waaraan wij onvoorwaardelijk mee mogen doen. Dat maakt de tafel ook tot een opgave waarin aanvaarding en erkenning van elkaar voortdurend in het geding zijn, spanningen oproepen en een beroep op ons doen. Deze gemeenschap is alleen mogelijk als mensen met elkaar en door elkaar, en daarin van Godswege, tot verandering bereid zijn. Precies in de ontvangst van gemeenschap, in de vorming van een ‘betere gemeenschap’ en in de poging om tot een waarachtige gemeenschap te komen, ligt een belang opgesloten dat groter is dan de kerk alleen.

Aan tafel staat veel op het spel en daar worden wij zelf op het spel gezet. Het lijkt mij dat de kerk vooral aan tafel invulling kan geven aan haar ‘semper reformanda’. Dat hoeft ze niet te doen omdat ze aan de wereld het heil moet bedienen, maar omdat ze in de samenleving een plaats wil zijn waar door het Evangelie ‘betere gemeenschap’ wordt ontvangen en gevormd. Een kerk als tafelgemeenschap waarin mensen elkaar accepteren, spanningen aandurven en met en aan elkaar leren kan aan de samenleving een belangrijke bijdrage leveren.

Lees hier het artikel als PDF

Prof. dr. Rick Benjamins schreef ook een uitgebreidere toelichting op zijn artikel. Lees het hier als PDF

 

 

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: