Wie vangt mij op als ik val?

Christa Anbeek verloor haar hoop op een hemel, maar de verbeelding bracht het weer terug. ‘Als we niet uitkijken loopt ons denken de verbeelding voor de voeten.’

fullsizeoutput_1b1a
Christa Anbeek (1961) is waarnemend rector van het remonstrants seminarium
en auteur van boeken over de diepere zin van dood en verlies. Recentelijk
verscheen van haar: Voor Joseph en zijn broer. Van overleven, naar spelen
en andere zaken van ultiem belang, Ten Have.

Wie vangt mij op als ik val? was de werktitel van mijn proefschrift. Ik schreef mijn het aan de VU in de jaren 1990-1994, nog niet zo lang nadat mijn familie was overleden. Met het ik in de titel bedoelde ik mijzelf: wie vangt mij op? Welk religieus verband geeft mij een nieuw huis? Het ik in de titel sloeg ook op mijn vader, moeder en broer. Wie zou hen opvangen, nu mijn armen hen niet meer konden troosten en bovendien ontoereikend waren gebleken? En wie of wat vangt al die anderen op die over de grens van de dood heen vallen, soms zelfs door eigen hand? Is er iemand of iets die hun lot zich aantrekt? ‘Snik maar, want van hier tot God snikt om ons lot niemand’, was in die tijd een geliefde versregel van mij. Het is afkomstig uit Leo Vromans gedicht De ruimte in.

Arminius

Onlangs herdachten we de start van de synode van Dordrecht, die 400 jaar geleden begon. Ode aan de synode klinkt het vrolijk, maar dit verhult de bittere realiteit en de onmacht van theologen die achter de discussies uit die tijd schuil gingen. Oorlog, moordpartijen op vrouwen en kleine kinderen, huizen in brand gestoken, uitbraak van de pest … Veel onschuldigen kwamen om, zonder dat ze zelf een vlieg kwaad hadden gedaan. Ook toen al stelden theologen de vraag: Wie vangt hen op?

‘De genade van God is voor iedereen,’ aldus Arminius wiens hart verscheurd was door de vele geliefden die hij op jonge leeftijd was kwijt geraakt. ‘Ons JA is genoeg.’ ‘Niks daarvan,’ vond Gomarus. ‘God heeft al voordat wij geboren zijn bepaald wie wel en wie niet in de hemel komen. Wij kunnen hier zelf geen enkele invloed op uitoefenen.’

Dubbele pech dus: geen leven en ook geen genade. In de hitte van de discussies bezweek Arminius, zijn hart brak. We weten niet of en door wie hij werd opgevangen. Ruim tien jaar later begon de synode van Dordrecht en kregen de Gomaristen gelijk. De Arminianen moesten het land verlaten.

Wees niet bang

De uiteindelijke titel van mijn proefschrift werd Denken over de dood. De boeddhist Nishitani en de christen Pannenberg vergeleken. De uitgever vond de titel Wie vangt mij op als ik val de lading niet dekken, het zou niet verkopen. Mij kon het niet schelen, ik had in de jaren dat ik aan het proefschrift werkte mijn hoop op een hemel verloren.

Dit alles ging door mij heen toen ik het artikel van Alke Liebich Denken over leven na de dood las. Zij laat zien dat ons denken over de dood zijn wortels heeft in een diep verlangen. Het verlangen dat de ander en ook ikzelf, niet louter en alleen op onszelf aangewezen zijn. Dit verlangen geeft vleugels aan de verbeelding. Alleen al in de bijbel is een caleidoscoop  aan voorstellingen te vinden: meerstemmig en meerkleurig. In deze veelkleurigheid licht een terugkerende schittering op: wees niet bang, je bent niet alleen in het duister, God reikt verder dan de verste zee en de uiteinden van de aarde, zelfs in de dood ben je in hem geborgen. Je kunt niet buiten God vallen!

Terug naar de verbeelding

Als we niet uitkijken loopt ons denken de verbeelding voor de voeten. Want hoe zit het dan allemaal precies? In de vierhonderd jaar die ons van Arminius en Gomarus scheiden weten wij theologen het steeds minder goed. Elke zekerheid of stelligheid is verdwenen. Ons rest slechts één oplossing: terug naar de verbeelding. Als een kind opnieuw leren spelen. Dromen over hoe het zou kunnen zijn, hoe we zouden willen dat het is. Elkaar die dromen durven vertellen. Wij kunnen doen alsof de dood het laatste woord niet heeft en zo aan onszelf en degenen die wij hebben moeten loslaten trouw blijven. Wij kunnen ons spel met rituelen, muziek en samenzang omlijsten en zo met elkaar de gedroomde werkelijkheid echt voor ogen stellen. Bach was er een meester in, zijn werk betovert nog altijd velen. Ook hedendaagse kunstenaars kunnen ons helpen om verbeeldingsvol om te gaan met verlangen. Doe mee, speel mee, ons theologisch denken kan nog wel 400 jaar wachten!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: