De dood verandert alles. Ook het leven

Wat kunnen we eigenlijk zeggen over een leven na de dood? Predikant Alke Liebich is voorzichtig: ‘Als er al een antwoord is, zal het een paradox zijn’.

Alke Liebich 078 (foto Cecile Duindam)

Alke Liebich is predikant van de vrijzinnige Johanneskerk in Amersfoort. Daarnaast is zij voorzitter van de Vereniging van Vrijzinnige Protestanten (VVP).

Download de tekst hier als PDF

Animatie betekent dode figuren levend maken, en sinds Disney en Pixar gefuseerd zijn kan niemand dat beter dan zij. Coco is een animatiefilm van hen uit 2017. Dode computerfiguren komen tot leven in een sprankelend spektakel over de dood. De film komt bruisend op gang op een begraafplaats. Dubbelzinniger kun je het niet hebben, onderhoudender en troostrijker ook niet. In de levendige Mexicaanse traditie van de fiesta de los muertos verbindt een jongetje, de kleinzoon van Coco, de levenden en de doden. Het dodenrijk is speels en sprankelend, hondje Dante springt heen en weer tussen hemel en heden, en ook de doden kennen vriendschap en liefde, jaloezie en verraad. Helaas, geen hemelse hemel.

Ondanks deze beelden weten wij dat leven na de dood geen Disney-film is. Áls er een verblijfplaats van de doden is, dan is hij zeker niet vindbaar voor ons. En toch leven wij ons leven dagelijks samen met de doden. Ook dat is een – soms harde – realiteit.

Wij kunnen als moderne mensen geen naïeve gedachten hebben over een vrolijk of dreigend hiernamaals. Wie echter het hiernamaals eenvoudig afschaft, overspeelt zijn hand. Denken over gene zijde van dood blijft trekken. Deze denkoefening wil ik verdedigen. Wij kunnen er niet buiten, omdat het ons in staat aan onszelf voorbij te denken.

Ik begin echter met de huidige stand van zaken en enkele bijbelse noties in sneltreinvaart.

Voorbij het zieleheil

Wij nemen niet zomaar afscheid van gedachten die sinds generaties vertrouwd zijn. Onderzoeken tonen dat aan met een genuanceerd beeld. Een deel van de Nederlanders gelooft volmondig in een leven na de dood, maar deze groep krimpt gestaag. De groep die hierop stellig ‘nee’ invult krimpt eveneens, terwijl de groep ‘ik weet het niet’ een doorgaande groei vertoont (volgens het tienjaarlijks onderzoek ‘God in Nederland’).

De klassieke dualistische voorstelling – het zieleheil in de hemel voor aanhangers van het juiste geloof, en hel en verdoemenis voor dienaars van een ander geloof – speelde een doorslaggevende rol in de kerkgeschiedenis, maar lijkt nu uitgespeeld. Toch blijft de wens naar een rechtvaardige hemel voorbij de dood door de cultuur heen breed aanwezig. ‘Die heeft een plekje in de hemel verdiend’ zeggen we van iemand met een groot hart of bijzondere prestaties – de hemel als de ultieme dank en beloning.

Zouden we daarbij werkelijk aan een troon in de wolken denken? Waarschijnlijk niet, maar wel aan een soort beloning na de dood. Als we íets van de hemel verwachten dan is het wel rechtvaardigheid. Het mag toch wel uitmaken of je je best hebt gedaan om goed te leven. Waar blijven we anders?

Het paradijs wordt – al dan niet in Zwitserleven-uitvoering – al lang in het leven hier en nu verwezenlijkt. Het antwoord op de vraag waar het allemaal goed voor is, houden we liefst in eigen hand. God is uit de hemel verdwenen, in ieder geval voor de agnosten en atheïsten. (bijna 60% van de Nederlanders, God in Nederland 2016)

Maar de hemel – onbewoond – blijft bestaan als plek van verlangen, gereserveerd voor die gevallen die we niet in eigen hand hebben. De antwoorden van de geloofstradities voldoen niet meer, maar het antwoord van het rationele wereldbeeld evenmin wanneer het gaat om de vraag van leven en dood. En die vraag gaat onder de huid zitten, bijvoorbeeld in de diepte van het verlies van een geliefde aan de dood. Het is de vraag naar de troostrijke hoop dat deze keiharde dood dan toch geen niets zou mogen zijn, maar een overgang naar iets gelukkigers dan dit leven.

Leven-voorbij-de-dood

Er is nog nooit iemand uit de dood teruggekeerd (bijna-dood-ervaringen kunnen daar niet voor doorgaan) en er valt hier dus niets aan de werkelijkheid te toetsen. We willen zo graag iets weten wat we niet kunnen weten. Want als er iets voorbij ons eigen einde is, kunnen wij er nooit naar reiken, laats staan het onderzoeken. Zoals Epicurus het al troostend formuleerde: Als wij er zijn, is de dood niet, en als de dood er is, zijn wij niet.  

Wat wel te onderzoeken valt: waar komt het verlangen naar leven voorbij de dood vandaan? Welke wegen gaat de religieuze traditie? En wat zegt ons verlangen over onszelf, ons denken over leven, dood en God? En tenslotte: welke beelden zijn aan herziening toe? En blijft er dan iets over?

Hoe wij over de dood en leven-voorbij-de-dood denken hangt samen met de betekenis die we geven aan lichaam, ziel en sterven. Wij zijn dan wel materie, maar op een bijzondere manier georganiseerd, en die bijzonderheid is gelegen in onze mogelijkheid ons tot de wereld, tot onszelf en tot onze toekomst te verhouden. De toekomst zullen we moeten denken zonder onszelf, en dat kost ons moeite.

Ons wereldbeeld  – ik generaliseer nu – is gewend aan toeval, de verwijzing naar het transcendente is eruit verdwenen. Dat de aarde bestaat, compleet met atmosfeer, lucht, water en leven: puur toeval. Dat ik besta: puur toeval. Kunnen wij hier wel mee leven? Het lijkt dat ons besef van individualiteit zich niet verdraagt met het lichaam als sterfelijke materie. Onze eigenheid, persoonlijkheid en individualiteit staan op het spel. Met de dood sterft de door DNA aangestuurde materie, maar mijn eigen ik toch zeker niet? Mijn eigen ik – waar blijft dat dan?

Verlangen naar eeuwig leven moet dus wellicht ook het ik redden uit de materie. Zou onze behoefte aan eeuwig leven voortkomen uit een gekrenkt ego, dat zijn eigen nietigheid en toevalligheid niet kan verdragen? Of vermoeden wij met het verzet tegen het sterfelijke ik een onze aardsheid transcenderende kracht waar wij deel van zijn?

Bijbel

De Bijbel biedt een caleidoscoop aan verwachtingen en getuigenissen rondom dood en leven. Het boek der boeken is grotendeels ontstaan te midden van culturen met uitgebreide tradities rondom de dood en het hiernamaals. Het bijbels denken in het Oude Testament is daartegenover uiterst sober te noemen. Meest opvallend is dat Gods scheppingsmacht zich uitstrekt voorbij de dood.

Haar/zijn trouw blijft de bidder van psalm 16 nabij. U laat uw trouwe dienaar het graf niet zien. U wijst mij de weg naar het leven (Ps. 16:10). Deze gedachte verwijst ook naar de juiste weg: de weg van de Thora is de weg ten leven. Wie de Thora afwijst is eigenlijk levende dood. Het leven met de Thora, de relatie met God, eindigt niet bij de biologische dood. Leven en dood ontvangen een andere inhoud: leven is zinvol, bezield leven; dood is zinloosheid, ook bij leven.

In de deuterocanonieke boeken Makkabeeën komen we de belijdenis tegen van Gods scheppingskracht, die niet stopt bij de dood. God laat de rechtvaardigen – martelaren die niet buigen voor vreemde goden – niet in de steek (2 Makk. 7). God die leven geeft, blijft leven geven.

Het Nieuwe Testament spreekt met evenzovele stemmen. Vanzelfsprekend schetst de gelijkenis van de rijke en de arme Lazarus hoe deze twee elkaar ná dit leven kunnen zien: de een in Abrahams schoot, de ander brandend in de hel. Of denk aan de strijd tussen Sadduceeën en Farizeeën, waarvan de eersten niet en de tweeden wel in een leven na de dood geloofden. Paulus gebruikt deze onenigheid wanneer hij meldde opgepakt te zijn vanwege zijn geloof in de opstanding – waardoor hij direct tweedracht zaaide onder zijn vervolgers. Paulus heeft een zeer eigen spreken over dood en leven: gestorven voor de zonde, dood voor de wet en levend met Christus. In Openbaring worden aarde en hemel voortdurend op elkaar betrokken: hemel is geen plek ná het aardse leven, maar de plek van overwinning terwijl zich op aarde dood en verwoesting voltrekt.

Opstandingsgeloof bleek dus complex en een hot item. In het Johannesevangelie staat een opvallende passage waarin het traditionele geloof in opstanding en eeuwig leven verandert. Wanneer Marta getuigt dat haar broer Lazarus zal opstaan bij de opstanding op de laatste dag, is het antwoord van Jezus: Ik ben de opstanding en het leven. Johannes laat hier het traditionele eschatologische geloof kantelen en stelt Jezus als beslissende keuze ervoor in de plaats. Wie in mij gelooft leeft ook als hij sterft. Ook hier verandert de betekenis van leven en dood: geloof in Jezus is het eeuwig leven dat nu, door de beslissende keuze, binnen bereik ligt.

De bijbel heeft geen eenduidige en altijd geldende boodschap over eeuwig leven. Gangbare opvattingen worden regelmatig veranderd en vernieuwd. Zo wordt het denken over eeuwig leven veranderd in denken over hoe-te-leven. Alsof de bijbel ons verlangen gaat heroriënteren: niet naar eeuwig leven maar naar waarachtig leven.

Wanneer we een stap achteruit zetten en naar de grote lijnen kijken, zien we dat het bijbelse beeld van de hemel veel groter is dan onze moderne invulling van een geloof in een hiernamaals. Hemel is de plaats van God en daarmee het tegenontwerp van onze ervaren werkelijkheid. De fantastische profetische visioenen van Jesaja tot Openbaring getuigen vooral van een goddelijke ruimte buiten onze (voorstellings)wereld.

Natuurlijk zijn deze beelden gebonden aan de werkelijkheidservaring van die tijd. Maar ze zeggen ons meer, ze verleiden ons een stap te zetten buiten dat wat wij ons kunnen voorstellen. Geloof in de hemel kan nooit iets zijn wat wij ons kunnen voorstellen – maar enkel iets wat onze voorstelling negeert of overstijgt. Als we in een hemel geloven, dan niet omdat het zo’n plausibel idee is, maar omdat wij een niet-plausibel idee, een onvoorstelbaar oord nodig hebben. Dat wij voorbij ons eigen leven alleen een niet-weten kennen en nooit een weten.

De menselijke geest weet dan dat onze voorstellingswereld niet de enig mogelijke is. Het goddelijke is de categorie van het ondenkbare, onmogelijke waarvan wij weten, maar dat wij nooit kennen. De mogelijkheid voorbij het voorstelbare – verbeelding – is een eeuwenoude kracht. In het concept van het leven na de dood biedt zij troost, in het concept van de hemel als alternatieve werkelijkheid is zij motor voor verandering.

Het bijbelse koninkrijk der hemelen was regelmatig motor voor maatschappelijke verandering, en deze bijbelse verbeeldingskracht wordt door dictators nogal eens als bedreigend ervaren. Swing low, sweet chariot, coming for to carry me home zongen de zwarte slaven op de katoenvelden. Zij grepen het beeld van Elia aan, die op een vurige wagen naar de hemel opsteeg, om hun de hoop op een beter thuis op aarde én in de hemel te verwoorden.

Eeuwig leven zonder God

In onze huidige cultuur heeft de hoop op eeuwig leven de vorm van het voortleven in de herinnering gekregen. Deze gedachte is royaal omarmd en heeft de plaats ingenomen van de troost van de hemel van vroeger, een troost met grote therapeutische waarde voor de moderne nabestaande. De moderne tradities groeien, getuige de plekken en momenten van herinnering. Van de reële of virtuele plaatsen als bermmonumenten en facebookpagina’s tot in een sieraad verwerkte as en jaarlijkse herdenkingen, georganiseerd door de uitvaartbranche.

Herinnering vraagt om herhaling en volharding. Met begrip voor de troostbehoefte is de vraag gerechtvaardigd om hoeveel herhaling deze herinnering vraagt. Ben je je leven lang verplicht tot herinneren? Kan de herinnering ook worden overgedragen aan iets of iemand, wanneer het bermmonument versleten is? ‘Heer, herinner u de namen…’ wordt in vele kerken gezongen bij het gedenken van de overledenen in november. Dat blijft een wezenlijke toevoeging aan de herinneringscultuur.

Moderne rituelen zijn zinvolle pogingen die ook hun ontoereikendheid openbaren. Het blijft de hulpeloosheid van de vraag waar geen antwoord op is: waar ben je nu? Hoe zijn wij in verbinding? De grote vraag voor veel mensen is: zien we onze geliefden weer terug aan gene zijde van de dood? Het verlangen ernaar is betrekkelijk nieuw, het speelt een marginale rol in de Bijbel en in kerkelijke tradities. Het vindt zijn oorsprong in het concrete gemis. Waar is hun lach en energie, zijn handen, haar ogen?

Als er al een antwoord is, zal het een paradox zijn. Overleden geliefden zijn dichtbij én ver weg tegelijkertijd. Analoog aan het bijbels spreken over het Koninkrijk: midden onder ons en verborgen in Gods toekomst. Over sommige aspecten van het leven, en zeker over leven aan gene zijde, kunnen we alleen in paradoxen spreken.

De overleden schrijfster Renate Dorrestein putte troost uit deze – kinderlijke, geeft zij toe – voorstellingen, waarbij zij de paradox laat bestaan:

Je gelooft in een leven na de dood?

,,Ja. En ik heb daar een heel kinderlijk beeld van. Iedereen van wie ik heb gehouden en die ik al heel lang mis omdat ze dood zijn, zit met uitgestrekte armen in de hemel op mij te wachten. … Natuurlijk weet ik dat die voorstelling een sprookje is. Maar die gedachte is troostrijk en aangezien we toch niet weten wat ons wacht na dit leven, kunnen we daarover beter iets leuks verzinnen dan iets sombers en engs.’’
(AD, 6 mei 2018)

Het is een troostrijke gedachte. Waarom zouden we hardvochtig beweren dat dat natuurlijk niet waar is? We zijn ons menszijn onwaardig als we die hoop bij elkaar de grond inboren.

Maar om elkaar serieus te nemen en geen schade toe te brengen, moeten we beseffen dat deze voorstelling kinderlijk is en dat wij er niets van weten.

En de moderne gelovige?

De tradities lezende ontdekken we motieven achter het verlangen naar eeuwig leven en

kunnen we een afweging maken wat voor ons wel of niet van toepassing is. De hoop op iets voorbij de dood kan alleen maar een zeer persoonlijke invulling hebben die ieder voor zichzelf maakt. De rijkdom van tradities stelt ons vragen en biedt aanknopingspunten. De afsluiting van deze overwegingen kan alleen maar meerduidig en uitnodigend zijn.

In het moderne mensbeeld doet de ervaring van verbondenheid intrede, als een correctie op het individu als hoogste waarde. Alleen in verbondenheid kunnen we zorgen voor de aarde en zorgt de aarde voor ons. ‘Circulair’ is het toverwoord voor de menselijke activiteit in de toekomst en is misschien ook van belang voor ons zelfbeeld voorbij de dood. Deze gedachte sluit bovendien aan bij de leven gevende scheppingsmacht van God en bij het rationele wereldbeeld: atomen hebben immers het eeuwige leven.

Elk atoom is uit de oerknal in eindeloze reacties ontstaan en blijft bouwsteen van het leven. De atomen vormen het wonderbaarlijke weefsel ons bestaan. Elk aards lichaam dat aan zijn einde en vernietigd is laat de atomen vrij die hun bestaan voortzetten in welk leven dan ook, in het oneindige in ruimte en tijd. In die zin gaat ook voor ons moderne mensen het leven door. Modern geloof heeft hier andere taal nodig dan de beschrijvende natuurkunde. Ook dat is ontoereikende taal, maar idealiter in staat onze ziel te raken. De levensadem keert terug naar de schepper en beademt ieder leven opnieuw. God, mens en leven in een dansende kringloop.

Dood, begin van leven, geboorte, God – het is steeds weer het ultieme dat ons overstijgt. Steeds weer de ontdekking dat ons onze intellectuele mogelijkheden uit handen worden geslagen in al die pogingen ons eigen denken voorbij te denken. Over hemel en hiernamaals kun je gelovig niet méér zeggen dan onze cultuur (in de paragraaf hierboven), maar eerder minder.

Ik heb het idee dat de 30% van de Nederlanders die ten aanzien van het hiernamaals het niet weten, wel een goede reden hebben. Denken over eeuwig leven maakt ons bescheiden. De grens van het leven is ook de grens van onze mogelijkheden. Het zou theologische hoogmoed zijn om hier zomaar ‘God’ in te vullen – dan zou God weer de vervuller van onze wensen worden, een klassieke deus ex machina.

Maar wij kunnen nog iets dichter bij God komen. Hemel hebben we nodig als de mogelijkheid voorbij de werkelijkheid, zoals boven betoogd. Als we de hemel als irreëel zouden afwijzen puur omdat hij ondenkbaar is, wijzen we ons eigen vermogen tot verbeelding en verandering af. Theologie, ook liberale of moderne theologie, mag dit vermogen niet met misplaatst realisme verlammen, maar moet het blijven activeren.

Niets gaat verloren

Ten aanzien van de laatste grens van de dood past echter geen activisme meer. We leggen de laatste almachtsfantasie af en geven ons over aan het niet-begrijpen, aan het onbekende of de Onbekende dat wij niet begrijpen maar dat ons (be)grijpt. In de volledige passiviteit gaat de kracht van de verbeelding over in een andere modus. Populair kunnen we dat ‘loslaten’ noemen. De mystici noemden het schouwen. Met een innerlijk oog zien. Eeuwenoude beelden: wandelen in het licht, opgenomen in eeuwige grond, gekend zijn, van God zijn.

Of met de eigentijdse woorden van Marijke de Bruijne:

Aan het einde van het leven
neemt Gods Geest de laatste adem
in haar grote waaien op.
Onze geest wordt weer verenigd
met God die haar gegeven heeft.
En wat er blijft
wordt in lucht en aarde opgenomen
voor leven dat opnieuw ontstaat.
Niets gaat verloren.

(Marijke de Bruijne, Pinksteroratorium Aanwezig)

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: